Richteren 19:6
“En zij zaten neer en aten en dronken beiden samen; want de vader van het meisje had tot de man gezegd: Wees toch tevreden en blijf vannacht, en laat uw hart vrolijk zijn.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 19 — omringende verzen
En het geschiedde in die dagen, toen er geen koning in Israël was, dat er een zekere Leviet was die verbleef aan de zijde van het gebergte van Efraïm, die een bijvrouw had genomen uit Bethlehem-Juda.
2En zijn bijvrouw pleegde hoererij tegen hem en ging van hem weg naar het huis van haar vader te Bethlehem-Juda, en was daar vier volle maanden.
3En haar man stond op en ging haar achterna om naar haar hart te spreken en haar terug te brengen, en zijn knecht was bij hem en een paar ezels; en zij bracht hem in het huis van haar vader; en toen de vader van het meisje hem zag, verheugde hij zich hem te ontmoeten.
4En zijn schoonvader, de vader van het meisje, hield hem terug; en hij bleef drie dagen bij hem; en zij aten en dronken en overnachtten daar.
5En het geschiedde op de vierde dag, dat zij vroeg in de morgen opstonden, dat hij opstond om te vertrekken; en de vader van het meisje zeide tot zijn schoonzoon: Versterk uw hart met een stuk brood en ga daarna uw weg.
En zij zaten neer en aten en dronken beiden samen; want de vader van het meisje had tot de man gezegd: Wees toch tevreden en blijf vannacht, en laat uw hart vrolijk zijn.
En toen de man opstond om te vertrekken, drong zijn schoonvader bij hem aan; en hij overnachtte daar opnieuw.
8En hij stond vroeg op in de morgen van de vijfde dag om te vertrekken; en de vader van het meisje zeide: Versterk toch uw hart. En zij talmen tot de namiddag, en zij aten beiden.
9En toen de man opstond om te vertrekken, hij en zijn bijvrouw en zijn knecht, zeide zijn schoonvader, de vader van het meisje, tot hem: Zie, de dag daalt nu naar de avond toe, ik bid u, blijft vannacht; zie, de dag loopt ten einde, overnacht hier, opdat uw hart vrolijk zij; en morgen vroeg maakt u zich op uw weg, zodat u naar uw huis gaat.
10Maar de man wilde die nacht niet overnachten; en hij stond op en vertrok en kwam tegenover Jebus, dat is Jeruzalem; en er waren bij hem twee gezadelde ezels; ook was zijn bijvrouw bij hem.
11En toen zij bij Jebus waren, was de dag ver gevorderd; en de knecht zeide tot zijn heer: Kom toch en laat ons afwijken naar deze stad der Jebusieten en daarin overnachten.