Richteren 2:6
“En toen Jozua het volk ontslagen had, gingen de kinderen van Israël heen, een ieder naar zijn erfdeel, om het land in bezit te nemen.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 2 — omringende verzen
En een engel van de HEER kwam op van Gilgal naar Bochim en zei: Ik heb u uit Egypte opgevoerd en u gebracht in het land dat Ik uw vaderen gezworen had; en Ik zei: Ik zal mijn verbond met u nooit verbreken.
2En u zult geen verbond sluiten met de inwoners van dit land; u zult hun altaren afbreken. Maar u hebt mijn stem niet gehoorzaamd. Waarom hebt u dit gedaan?
3Daarom zeg Ik ook: Ik zal hen niet voor u verdrijven; maar zij zullen u als doornen in de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.
4En het geschiedde, toen de engel van de HEER deze woorden gesproken had tot al de kinderen van Israël, dat het volk zijn stem verhief en weende.
5En zij noemden de naam van die plaats Bochim; en zij offerden daar aan de HEER.
En toen Jozua het volk ontslagen had, gingen de kinderen van Israël heen, een ieder naar zijn erfdeel, om het land in bezit te nemen.
En het volk diende de HEER al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten die Jozua overleefd hadden, die al de grote werken van de HEER gezien hadden, die Hij voor Israël gedaan had.
8En Jozua, de zoon van Nun, de knecht van de HEER, stierf, honderd en tien jaar oud.
9En zij begroeven hem binnen de grenzen van zijn erfdeel in Timnat-Heres, op het gebergte van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs.
10En ook dat gehele geslacht werd tot zijn vaderen vergaderd; en er stond een ander geslacht na hen op, dat de HEER niet kende, noch ook de werken die Hij voor Israël gedaan had.
11En de kinderen van Israël deden wat kwaad was in de ogen van de HEER, en dienden de Baäls.