Terug naar Richteren 20
VSV
Statenvertaling

Richteren 20:27

En de kinderen Israëls vraagden de HEER — want de ark van het verbond Gods was in die dagen aldaar,

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 20 — omringende verzen

22

En het volk, de mannen van Israël, bemoedigden zichzelf en stelden de slagorde opnieuw op in de plaats waar zij zich op de eerste dag opgesteld hadden.

23

(En de kinderen Israëls trokken op en weenden voor het aangezicht des HEREN tot de avond, en vroegen raad bij de HEER, zeggende: Zal ik wederom ten strijde trekken tegen de kinderen van Benjamin, mijn broeder? En de HEER zeide: Trek op tegen hem.)

24

En de kinderen Israëls naderden ten tweeden male tegen de kinderen van Benjamin.

25

En Benjamin trok op de tweede dag uit Gibea tegen hen op, en sloeg wederom van de kinderen Israëls achttienduizend man ter aarde neer; allen trokken het zwaard.

26

Toen trokken alle kinderen Israëls en al het volk op, en kwamen ten huize Gods, en weenden en zaten aldaar voor het aangezicht des HEREN, en vastten op die dag tot de avond, en offerden brandoffers en vredeoffers voor de HEER.

27

En de kinderen Israëls vraagden de HEER — want de ark van het verbond Gods was in die dagen aldaar,

28

En Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond voor hem in die dagen — zeggende: Zal ik nog wederom uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broeder, of zal ik ophouden? En de HEER zeide: Trek op, want morgen zal Ik hen in uw hand geven.

29

En Israël legde hinderlagen rondom Gibea.

30

En de kinderen Israëls trokken op de derde dag op tegen de kinderen van Benjamin, en stelden zich in slagorde tegen Gibea, gelijk de vorige keren.

31

En de kinderen van Benjamin trokken uit tegen het volk, en werden van de stad weggelokt; en zij begonnen van het volk te slaan en te doden, gelijk de vorige keren, op de wegen, waarvan de ene opgaat naar het huis Gods en de andere naar Gibea in het veld, omtrent dertig man van Israël.

32

En de kinderen van Benjamin zeiden: Zij worden voor ons neergeslagen, gelijk de eerste keer. Maar de kinderen Israëls zeiden: Laten wij vluchten en hen van de stad naar de wegen weglokken.