Richteren 20:28
“En Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond voor hem in die dagen — zeggende: Zal ik nog wederom uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broeder, of zal ik ophouden? En de HEER zeide: Trek op, want morgen zal Ik hen in uw hand geven.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 20 — omringende verzen
(En de kinderen Israëls trokken op en weenden voor het aangezicht des HEREN tot de avond, en vroegen raad bij de HEER, zeggende: Zal ik wederom ten strijde trekken tegen de kinderen van Benjamin, mijn broeder? En de HEER zeide: Trek op tegen hem.)
24En de kinderen Israëls naderden ten tweeden male tegen de kinderen van Benjamin.
25En Benjamin trok op de tweede dag uit Gibea tegen hen op, en sloeg wederom van de kinderen Israëls achttienduizend man ter aarde neer; allen trokken het zwaard.
26Toen trokken alle kinderen Israëls en al het volk op, en kwamen ten huize Gods, en weenden en zaten aldaar voor het aangezicht des HEREN, en vastten op die dag tot de avond, en offerden brandoffers en vredeoffers voor de HEER.
27En de kinderen Israëls vraagden de HEER — want de ark van het verbond Gods was in die dagen aldaar,
En Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond voor hem in die dagen — zeggende: Zal ik nog wederom uittrekken ten strijde tegen de kinderen van Benjamin, mijn broeder, of zal ik ophouden? En de HEER zeide: Trek op, want morgen zal Ik hen in uw hand geven.
En Israël legde hinderlagen rondom Gibea.
30En de kinderen Israëls trokken op de derde dag op tegen de kinderen van Benjamin, en stelden zich in slagorde tegen Gibea, gelijk de vorige keren.
31En de kinderen van Benjamin trokken uit tegen het volk, en werden van de stad weggelokt; en zij begonnen van het volk te slaan en te doden, gelijk de vorige keren, op de wegen, waarvan de ene opgaat naar het huis Gods en de andere naar Gibea in het veld, omtrent dertig man van Israël.
32En de kinderen van Benjamin zeiden: Zij worden voor ons neergeslagen, gelijk de eerste keer. Maar de kinderen Israëls zeiden: Laten wij vluchten en hen van de stad naar de wegen weglokken.
33En alle mannen van Israël stonden op uit hun plaats en stelden zich op bij Baäl-Tamar; en de hinderlaag van Israël brak voort uit haar plaatsen, uit de vlakten van Gibea.