Richteren 4:7
“En Ik zal tot u aan de beek Kison doen komen Sisera, de overste van het leger van Jabin, met zijn strijdwagens en zijn menigte; en Ik zal hem in uw hand geven.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 4 — omringende verzen
En de HEER verkocht hen in de hand van Jabin, de koning van Kanaän, die regeerde in Hazor; de overste van zijn leger was Sisera, die woonde in Haroset der volken.
3En de kinderen Israëls riepen tot de HEER; want hij had negenhonderd ijzeren strijdwagens, en hij had de kinderen Israëls twintig jaren lang geweldig onderdrukt.
4En Debora, een profetes, de vrouw van Lapidoth, zij richtte Israël in die tijd.
5En zij woonde onder de palmboom van Debora, tussen Rama en Bethel, op het gebergte van Efraïm; en de kinderen Israëls kwamen tot haar voor het gericht.
6En zij zond heen en riep Barak, de zoon van Abinoam, uit Kedes-Naftali, en zeide tot hem: Heeft de HEER, de God van Israël, niet geboden: Ga heen en trek op naar de berg Tabor, en neem met u tienduizend man uit de kinderen van Naftali en uit de kinderen van Zebulon?
En Ik zal tot u aan de beek Kison doen komen Sisera, de overste van het leger van Jabin, met zijn strijdwagens en zijn menigte; en Ik zal hem in uw hand geven.
En Barak zeide tot haar: Als gij met mij gaat, zal ik gaan; maar als gij niet met mij gaat, zal ik niet gaan.
9En zij zeide: Ik zal voorzeker met u gaan; doch de weg die gij bewandelt, zal u niet tot eer strekken; want de HEER zal Sisera verkopen in de hand van een vrouw. En Debora stond op en ging met Barak naar Kedes.
10En Barak riep Zebulon en Naftali bijeen te Kedes; en tienduizend man trokken achter hem aan; en Debora trok met hem op.
11Nu had Heber de Keniet, die van de kinderen van Hobab, de schoonvader van Mozes, afkomstig was, zich afgescheiden van de Kenieten, en zijn tent opgeslagen bij de terebint van Zaänaïm, die bij Kedes is.
12En men berichtte Sisera dat Barak, de zoon van Abinoam, opgetrokken was naar de berg Tabor.