Richteren 6:29
“En zij zeiden de een tot de ander: Wie heeft dit gedaan? En toen zij onderzochten en navraag deden, zeiden zij: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit gedaan.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 6 — omringende verzen
Toen bouwde Gideon daar een altaar voor de HEER, en noemde het Jehovah-Shalom. Tot op deze dag is het nog in Ofra der Abiëzrieten.
25En het geschiedde in diezelfde nacht, dat de HEER tot hem zei: Neem de jonge stier van uw vader, namelijk de tweede stier van zeven jaren oud, en breek het altaar van Baäl af dat uw vader heeft, en houw het gewijde bos af dat daarbij is.
26En bouw een altaar voor de HEER, uw God, op de top van deze rots, op de behoorlijke plaats, en neem de tweede stier, en offer een brandoffer met het hout van het gewijde bos dat gij zult afhouwen.
27Toen nam Gideon tien mannen van zijn knechten, en deed zoals de HEER tot hem gesproken had; en het geschiedde, omdat hij het huisgezin zijns vaders en de mannen der stad vreesde, dat hij het niet bij dag kon doen, dat hij het bij nacht deed.
28En toen de mannen der stad vroeg in de morgen opstonden, zie, het altaar van Baäl was afgebroken, en het gewijde bos dat daarbij was, was afgehouwen, en de tweede stier was geofferd op het altaar dat gebouwd was.
En zij zeiden de een tot de ander: Wie heeft dit gedaan? En toen zij onderzochten en navraag deden, zeiden zij: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit gedaan.
Toen zeiden de mannen der stad tot Joas: Breng uw zoon naar buiten, opdat hij sterve, omdat hij het altaar van Baäl heeft afgebroken, en omdat hij het gewijde bos heeft afgehouwen dat daarbij was.
31En Joas zei tot allen die tegen hem stonden: Zult gijlieden voor Baäl pleiten? Zult gij hem verlossen? Wie voor hem pleit, zal ter dood gebracht worden terwijl het nog morgen is. Is hij een god, laat hem dan voor zichzelf pleiten, omdat iemand zijn altaar heeft afgebroken.
32Daarom noemde men hem op die dag Jerubbaäl, zeggende: Laat Baäl tegen hem pleiten, omdat hij zijn altaar heeft afgebroken.
33Toen werden al de Midianieten en Amalekieten en de kinderen van het oosten samen vergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël.
34Maar de Geest van de HEER kwam over Gideon, en hij blies op de bazuin; en Abiëzer werd achter hem samengeroepen.