Terug naar Richteren 8
VSV
Statenvertaling

Richteren 8:20

En hij zei tot Jeter, zijn eerstgeborene: Sta op en dood hen. Maar de jongeling trok zijn zwaard niet; want hij vreesde, omdat hij nog een jongeling was.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 8 — omringende verzen

15

En hij kwam tot de mannen van Sukkot en zei: Zie, Zebah en Zalmunna, over wie gij mij beschimptet en zeidet: Zijn de handen van Zebah en Zalmunna nu reeds in uw hand, dat wij uw mannen brood zouden geven die vermoeid zijn?

16

En hij nam de oudsten van de stad, en dorens der woestijn en distelen, en tuchtigt daarmee de mannen van Sukkot.

17

En hij brak de toren van Penuël af en doodde de mannen van de stad.

18

Toen zei hij tot Zebah en Zalmunna: Wat waren het voor mannen die gij bij Tabor gedood hebt? En zij antwoordden: Zoals gij bent, zo waren zij; elk van hen geleek op een koningszoon.

19

En hij zei: Het waren mijn broeders, de zonen van mijn moeder; zo waarlijk als de HEER leeft, indien gij hen in leven had gespaard, zou ik u niet doden.

20

En hij zei tot Jeter, zijn eerstgeborene: Sta op en dood hen. Maar de jongeling trok zijn zwaard niet; want hij vreesde, omdat hij nog een jongeling was.

21

Toen zeiden Zebah en Zalmunna: Sta gij op en val op ons aan; want zoals de man is, zo is zijn kracht. En Gideon stond op en doodde Zebah en Zalmunna, en nam de sieraden die aan de halzen van hun kamelen waren.

22

Toen zeiden de mannen van Israël tot Gideon: Heers over ons, gij en uw zoon en uw kleinzoon ook; want gij hebt ons verlost uit de hand van Midian.

23

En Gideon zei tot hen: Ik zal niet over u heersen, noch zal mijn zoon over u heersen; de HEER zal over u heersen.

24

En Gideon zei tot hen: Ik zou een verzoek van u willen doen, dat gij mij ieder de oorringen van zijn buit geeft. (Want zij hadden gouden oorringen, omdat zij Ismaëlieten waren.)

25

En zij antwoordden: Wij zullen ze gaarne geven. En zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarin ieder de oorringen van zijn buit.