Terug naar Richteren 9
VSV
Statenvertaling

Richteren 9:33

En het zal geschieden, dat gij in de morgen, zodra de zon opgaat, vroeg zult opstaan en de stad zult aanvallen; en zie, wanneer hij en het volk dat met hem is uittrekt tegen u, doe dan met hen naar gelang de gelegenheid u gegeven wordt.

Kruisverwijzingen

Context

Richteren 9 — omringende verzen

28

En Gaäl, de zoon van Ebed, zeide: Wie is Abimelech, en wie is Sichem, dat wij hem dienen? Is hij niet de zoon van Jerubbaal? en Zebul zijn opzichter? Dient de mannen van Hamor, de vader van Sichem; want waarom zouden wij hem dienen?

29

En och, ware dit volk onder mijn hand! dan zou ik Abimelech afzetten. En hij zeide tot Abimelech: Vermeerder uw leger en kom uit.

30

En toen Zebul, de overste van de stad, de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed, hoorde, ontstak zijn toorn.

31

En hij zond heimelijk boden tot Abimelech, zeggende: Zie, Gaäl de zoon van Ebed en zijn broeders zijn naar Sichem gekomen, en zie, zij brengen de stad tegen u in opstand.

32

Maak u dan op in de nacht, gij en het volk dat met u is, en leg een hinderlaag in het veld.

33

En het zal geschieden, dat gij in de morgen, zodra de zon opgaat, vroeg zult opstaan en de stad zult aanvallen; en zie, wanneer hij en het volk dat met hem is uittrekt tegen u, doe dan met hen naar gelang de gelegenheid u gegeven wordt.

34

En Abimelech stond op, en al het volk dat met hem was, des nachts, en zij legden een hinderlaag tegen Sichem in vier troepen.

35

En Gaäl, de zoon van Ebed, ging uit en stond aan de ingang van de stadspoort; en Abimelech en het volk dat met hem was, stonden op uit de hinderlaag.

36

En toen Gaäl het volk zag, zeide hij tot Zebul: Zie, er daalt volk af van de toppen der bergen. En Zebul zeide tot hem: Gij ziet de schaduw van de bergen alsof het mensen zijn.

37

En Gaäl sprak opnieuw en zeide: Zie, er daalt volk af van het midden van het land, en een andere troep komt langs de weg van de eik van Meonenim.

38

Toen zeide Zebul tot hem: Waar is nu uw mond, waarmee gij zeidet: Wie is Abimelech, dat wij hem dienen? Is dit niet het volk dat gij veracht hebt? Ga toch uit nu en strijd met hen.