Richteren 9:7
“En toen men het aan Jotham vertelde, ging hij staan op de top van de berg Gerizim, verhief zijn stem en riep, en zeide tot hen: Hoort naar mij, gij mannen van Sichem, opdat God ook naar u hore.”
Kruisverwijzingen
Context
Richteren 9 — omringende verzen
Spreekt toch ten aanhoren van alle mannen van Sichem: Wat is beter voor u, dat zeventig mannen, allen zonen van Jerubbaal, over u heersen, of dat één man over u heerst? Gedenkt ook dat ik uw been en uw vlees ben.
3En de broeders van zijn moeder spraken van hem ten aanhoren van alle mannen van Sichem al deze woorden; en hun hart neigde naar Abimelech, want zij zeiden: Hij is onze broeder.
4En zij gaven hem zeventig zilverstukken uit het huis van Baäl-Berith, en daarmee huurde Abimelech ijdele en lichtzinnige mannen, die hem volgden.
5En hij ging naar het huis van zijn vader te Ofra, en doodde zijn broeders, de zonen van Jerubbaal, zeventig mannen, op één steen; maar Jotham, de jongste zoon van Jerubbaal, bleef over, want hij had zich verborgen.
6En al de mannen van Sichem en het gehele huis van Millo kwamen samen, en zij gingen en maakten Abimelech koning, bij de eik van de pilaar die te Sichem stond.
En toen men het aan Jotham vertelde, ging hij staan op de top van de berg Gerizim, verhief zijn stem en riep, en zeide tot hen: Hoort naar mij, gij mannen van Sichem, opdat God ook naar u hore.
De bomen gingen eens op weg om een koning over zich te zalven, en zij zeiden tot de olijfboom: Heerst gij over ons.
9Maar de olijfboom zeide tot hen: Zou ik mijn vettigheid verlaten, waarmee zij door mij God en mensen eren, en heengaan om verheven te worden boven de bomen?
10Toen zeiden de bomen tot de vijgenboom: Kom gij en heerst over ons.
11Maar de vijgenboom zeide tot hen: Zou ik mijn zoetheid verlaten en mijn goede vrucht, en heengaan om verheven te worden boven de bomen?
12Toen zeiden de bomen tot de wijnstok: Kom gij en heerst over ons.