Romeinen 11:3
“Heer, zij hebben Uw profeten gedood en Uw altaren omvergehaald; en ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mijn leven.”
Kruisverwijzingen
Context
Romeinen 11 — omringende verzen
Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre. Want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin.
2God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Weet u niet wat de Schrift zegt van Elia? Hoe hij God smeekt tegen Israël, zeggende:
Heer, zij hebben Uw profeten gedood en Uw altaren omvergehaald; en ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mijn leven.
Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tot hem? Ik heb voor Mijzelf zeven duizend mannen behouden, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
5Alzo dan is ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade.
6En indien het door genade is, dan is het niet meer uit de werken; anders is genade geen genade meer. Maar indien het uit de werken is, dan is het geen genade meer; anders is werk geen werk meer.
7Wat dan? Israël heeft niet verkregen wat het zoekt; maar de verkiezing heeft het verkregen, en de overigen zijn verblind.
8Gelijk geschreven staat: God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen om niet te zien, en oren om niet te horen; tot op de huidige dag.