Romeinen 11:6
“En indien het door genade is, dan is het niet meer uit de werken; anders is genade geen genade meer. Maar indien het uit de werken is, dan is het geen genade meer; anders is werk geen werk meer.”
Kruisverwijzingen
Context
Romeinen 11 — omringende verzen
Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre. Want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad van Abraham, van de stam Benjamin.
2God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Weet u niet wat de Schrift zegt van Elia? Hoe hij God smeekt tegen Israël, zeggende:
3Heer, zij hebben Uw profeten gedood en Uw altaren omvergehaald; en ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mijn leven.
4Maar wat zegt het Goddelijk antwoord tot hem? Ik heb voor Mijzelf zeven duizend mannen behouden, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben.
5Alzo dan is ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel naar de verkiezing der genade.
En indien het door genade is, dan is het niet meer uit de werken; anders is genade geen genade meer. Maar indien het uit de werken is, dan is het geen genade meer; anders is werk geen werk meer.
Wat dan? Israël heeft niet verkregen wat het zoekt; maar de verkiezing heeft het verkregen, en de overigen zijn verblind.
8Gelijk geschreven staat: God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen om niet te zien, en oren om niet te horen; tot op de huidige dag.
9En David zegt: Laat hun tafel worden tot een strik, en een val, en een steen des aanstoots, en een vergelding voor hen.
10Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien, en buig hun rug altijd neer.
11Ik zeg dan: Zijn zij gestruikeld om te vallen? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid tot de heidenen gekomen, om hen tot jaloersheid te verwekken.