Ruth 1:8
“En Naomi zeide tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert terug, ieder naar het huis van haar moeder; de HEER bewijze u goedertierenheid, gelijk gij die bewezen hebt aan de gestorvenen en aan mij.”
Kruisverwijzingen
Context
Ruth 1 — omringende verzen
En Elimelech, de man van Naomi, stierf; en zij bleef achter met haar twee zonen.
4En zij namen vrouwen uit de dochters van Moab; de naam van de ene was Orpa, en de naam van de andere Ruth; en zij woonden daar omstreeks tien jaar.
5En ook Machlon en Chiljon stierven beiden; en de vrouw bleef achter zonder haar twee zonen en haar man.
6Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, om terug te keren uit het land Moab; want zij had in het land Moab gehoord dat de HEER zijn volk bezocht had door hun brood te geven.
7Zij vertrok dan uit de plaats waar zij geweest was, en haar twee schoondochters met haar; en zij gingen op weg om terug te keren naar het land Juda.
En Naomi zeide tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert terug, ieder naar het huis van haar moeder; de HEER bewijze u goedertierenheid, gelijk gij die bewezen hebt aan de gestorvenen en aan mij.
De HEER geve u dat gij rust vindt, ieder in het huis van haar man. En zij kuste haar; en zij hieven hun stem op en weenden.
10En zij zeiden tot haar: Voorzeker, wij keren met u terug tot uw volk.
11En Naomi zeide: Keert terug, mijn dochters; waarom zoudt gij met mij meegaan? Zijn er nog zonen in mijn schoot, die uw mannen kunnen zijn?
12Keert terug, mijn dochters, gaat uw weg; want ik ben te oud om nog een man te hebben. Al zou ik zeggen: Ik heb hoop, al zou ik deze nacht nog een man hebben en ook zonen baren,
13Zoudt gij dan op hen wachten totdat zij groot geworden zijn? Zoudt gij u dan van mannen onthouden? Neen, mijn dochters; want het bedroeft mij zeer om uwentwil, dat de hand van de HEER tegen mij is uitgegaan.