Ruth 1:4
“En zij namen vrouwen uit de dochters van Moab; de naam van de ene was Orpa, en de naam van de andere Ruth; en zij woonden daar omstreeks tien jaar.”
Kruisverwijzingen
Context
Ruth 1 — omringende verzen
Het geschiedde nu in de dagen toen de richteren regeerden, dat er een hongersnood in het land was. En een zeker man uit Bethlehem-Juda ging als vreemdeling vertoeven in het land Moab, hij en zijn vrouw en zijn twee zonen.
2De naam van de man was Elimelech, en de naam van zijn vrouw Naomi, en de namen van zijn twee zonen Machlon en Chiljon, Efratieten uit Bethlehem-Juda. En zij kwamen in het land Moab en bleven daar.
3En Elimelech, de man van Naomi, stierf; en zij bleef achter met haar twee zonen.
En zij namen vrouwen uit de dochters van Moab; de naam van de ene was Orpa, en de naam van de andere Ruth; en zij woonden daar omstreeks tien jaar.
En ook Machlon en Chiljon stierven beiden; en de vrouw bleef achter zonder haar twee zonen en haar man.
6Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, om terug te keren uit het land Moab; want zij had in het land Moab gehoord dat de HEER zijn volk bezocht had door hun brood te geven.
7Zij vertrok dan uit de plaats waar zij geweest was, en haar twee schoondochters met haar; en zij gingen op weg om terug te keren naar het land Juda.
8En Naomi zeide tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert terug, ieder naar het huis van haar moeder; de HEER bewijze u goedertierenheid, gelijk gij die bewezen hebt aan de gestorvenen en aan mij.
9De HEER geve u dat gij rust vindt, ieder in het huis van haar man. En zij kuste haar; en zij hieven hun stem op en weenden.