Terug naar Ruth 4
VSV
Statenvertaling

Ruth 4:5

Toen zei Boaz: Op de dag dat gij het land koopt uit de hand van Naomi, moet gij het ook kopen van Ruth de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de dode op zijn erfdeel te doen herrijzen.

Kruisverwijzingen

Context

Ruth 4 — omringende verzen

1

Daarna ging Boaz naar de poort en ging daar zitten; en zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij; en hij zei tot hem: Ho, gij daar! kom hier zitten. En hij keerde zich om en ging zitten.

2

En hij nam tien mannen van de oudsten der stad en zei: Zit hier neer. En zij gingen zitten.

3

En hij zei tot de losser: Naomi, die teruggekeerd is uit het land Moab, verkoopt een stuk land dat van onze broeder Elimelech was.

4

En ik dacht u dit te laten weten en te zeggen: Koop het in tegenwoordigheid van de inwoners en van de oudsten van mijn volk. Indien gij het wilt lossen, los het dan; maar indien gij het niet wilt lossen, zeg het mij, opdat ik het wete; want er is niemand behalve gij om het te lossen, en ik kom na u. En hij zei: Ik zal het lossen.

5

Toen zei Boaz: Op de dag dat gij het land koopt uit de hand van Naomi, moet gij het ook kopen van Ruth de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de dode op zijn erfdeel te doen herrijzen.

6

En de losser zei: Ik kan het voor mijzelf niet lossen, opdat ik mijn eigen erfdeel niet benadeel; neem mijn lossingsrecht voor uzelf, want ik kan het niet lossen.

7

Nu was dit in vroeger tijden in Israël de gewoonte betreffende het lossen en het ruilen, om alle zaken te bevestigen: een man trok zijn sandaal uit en gaf die aan zijn naaste; en dit was een getuigenis in Israël.

8

Daarom zei de losser tot Boaz: Koop het voor uzelf. En hij trok zijn sandaal uit.

9

En Boaz zei tot de oudsten en tot al het volk: Gij zijt heden getuigen dat ik alles gekocht heb wat van Elimelech was, en alles wat van Chilion en Mahlon was, uit de hand van Naomi.

10

Bovendien heb ik Ruth de Moabitische, de vrouw van Mahlon, gekocht tot mijn vrouw, om de naam van de gestorvene op zijn erfdeel te doen herrijzen, opdat de naam van de gestorvene niet wordt uitgeroeid onder zijn broederen en uit de poort van zijn woonplaats; gij zijt heden getuigen.