Titus 1:7
“Want een opziener moet onberispelijk zijn als een rentmeester van God; niet eigenzinnig, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet gewelddadig, niet op schandelijke winst belust;”
Kruisverwijzingen
Context
Titus 1 — omringende verzen
In de hoop op het eeuwige leven, dat God, die niet liegen kan, vóór de grondlegging der wereld beloofd heeft;
3Maar die Zijn woord te Zijner tijd geopenbaard heeft door de prediking, die mij is toevertrouwd naar het bevel van God, onze Zaligmaker;
4Aan Titus, mijn eigen zoon naar het gemeenschappelijk geloof: genade, barmhartigheid en vrede, van God de Vader en de Heer Jezus Christus, onze Zaligmaker.
5Om deze reden heb ik u in Kreta achtergelaten, opdat gij zoudt regelen wat nog ontbreekt en in elke stad oudsten zoudt aanstellen, zoals ik u opgedragen had;
6Als iemand onberispelijk is, de man van één vrouw, gelovige kinderen hebbende, die niet beschuldigd worden van losbandigheid of van ongehoorzaamheid.
Want een opziener moet onberispelijk zijn als een rentmeester van God; niet eigenzinnig, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet gewelddadig, niet op schandelijke winst belust;
Maar gastvrij, een vriend van het goede, bezonnen, rechtvaardig, heilig, matig;
9Vasthoudend aan het betrouwbare woord zoals hij onderwezen is, opdat hij in staat zij door de gezonde leer zowel te vermanen als de tegensprekers te weerleggen.
10Want er zijn vele weerspannigen, ijdele praters en misleiders, vooral zij die uit de besnijdenis zijn;
11Wier mond gestopt moet worden, omdat zij gehele huisgezinnen ondersteboven keren door dingen te leren die niet behoren, om schandelijke winst.
12Een van hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: De Kretenzers liegen altijd, zij zijn kwade beesten, luie buiken.