Zacharia 1:3
“Zeg daarom tot hen: Zo zegt de HEER der heerscharen: Bekeert u tot Mij, zegt de HEER der heerscharen, en Ik zal Mij tot u bekeren, zegt de HEER der heerscharen.”
Kruisverwijzingen
Context
Zacharia 1 — omringende verzen
In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEER tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, en zeide:
2De HEER is zeer misnoegd geweest over uw vaderen.
Zeg daarom tot hen: Zo zegt de HEER der heerscharen: Bekeert u tot Mij, zegt de HEER der heerscharen, en Ik zal Mij tot u bekeren, zegt de HEER der heerscharen.
Weest niet als uw vaderen, tot wie de vroegere profeten geroepen hebben: Zo zegt de HEER der heerscharen: Bekeert u nu van uw boze wegen en van uw boze daden; maar zij hoorden niet en sloegen geen acht op Mij, zegt de HEER.
5Uw vaderen, waar zijn zij? En de profeten, leven zij in eeuwigheid?
6Maar Mijn woorden en Mijn inzettingen, die Ik Mijn knechten, de profeten, geboden had, hebben die uw vaderen niet getroffen? En zij keerden zich en zeiden: Gelijk de HEER der heerscharen gedacht had met ons te doen, naar onze wegen en naar onze daden, zo heeft Hij met ons gedaan.
7Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, welke de maand Sebat is, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord van de HEER tot Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo, de profeet, en zeide:
8Ik zag des nachts, en zie, een man rijdende op een rood paard, en hij stond tussen de mirtestruiken die in de laagte waren; en achter hem waren rode, gevlekte en witte paarden.