Terug naar Zacharia 14
VSV
Statenvertaling

Zacharia 14:17

En het zal geschieden dat wie van alle geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem om de Koning, de HEER der heerscharen, te aanbidden, over hen zal geen regen zijn.

Kruisverwijzingen

Context

Zacharia 14 — omringende verzen

12

En dit zal de plaag zijn waarmee de HEER al de volken zal slaan die tegen Jeruzalem gestreden hebben: hun vlees zal wegteren terwijl zij op hun voeten staan, en hun ogen zullen wegteren in hun holten, en hun tong zal wegteren in hun mond.

13

En het zal geschieden te dien dage, dat er een grote verwarring van de HEER onder hen zal zijn; en zij zullen een ieder de hand van zijn naaste grijpen, en zijn hand zal zich verheffen tegen de hand van zijn naaste.

14

En ook Juda zal strijden bij Jeruzalem; en de rijkdom van al de heidenen rondom zal verzameld worden: goud, en zilver, en kleding, in grote overvloed.

15

En zo zal de plaag zijn van het paard, van de muilezel, van de kameel, en van de ezel, en van al het vee dat in die legers zal zijn, als deze plaag.

16

En het zal geschieden dat een ieder die overgebleven is uit al de heidenen die tegen Jeruzalem gekomen zijn, van jaar tot jaar zal optrekken om de Koning, de HEER der heerscharen, te aanbidden, en om het Loofhuttenfeest te vieren.

17

En het zal geschieden dat wie van alle geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem om de Koning, de HEER der heerscharen, te aanbidden, over hen zal geen regen zijn.

18

En indien het geslacht van Egypte niet optrekt en niet komt, hoewel zij geen regen hebben, dan zal over hen de plaag komen waarmee de HEER de heidenen zal slaan die niet optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren.

19

Dit zal de straf zijn van Egypte en de straf van al de heidenen die niet optrekken om het Loofhuttenfeest te vieren.

20

Te dien dage zal er op de bellen van de paarden staan: HEILIGHEID AAN DE HEER; en de potten in het huis van de HEER zullen zijn als de offerschalen vóór het altaar.

21

Ja, elke pot in Jeruzalem en in Juda zal heiligheid zijn aan de HEER der heerscharen; en allen die offeren zullen komen en daaruit nemen, en daarin koken; en te dien dage zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HEER der heerscharen.