Terug naar Zacharia 14
VSV
Statenvertaling

Zacharia 14:12

En dit zal de plaag zijn waarmee de HEER al de volken zal slaan die tegen Jeruzalem gestreden hebben: hun vlees zal wegteren terwijl zij op hun voeten staan, en hun ogen zullen wegteren in hun holten, en hun tong zal wegteren in hun mond.

Kruisverwijzingen

Context

Zacharia 14 — omringende verzen

7

Maar het zal één dag zijn, die de HEER bekend zal zijn, niet dag noch nacht; maar het zal geschieden dat het tegen de avondtijd licht zal zijn.

8

En het zal geschieden te dien dage, dat er levende wateren uit Jeruzalem zullen uitgaan, de helft ervan naar de oostzee, en de helft ervan naar de westzee; in de zomer en in de winter zal het zo zijn.

9

En de HEER zal Koning zijn over de gehele aarde; te dien dage zal er één HEER zijn, en Zijn Naam één.

10

Het gehele land zal veranderd worden in een vlakte, van Geba tot Rimmon, ten zuiden van Jeruzalem; en het zal verhoogd en bewoond worden op zijn plaats, van de poort van Benjamin tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort, en van de toren van Hananeël tot aan de wijnpersen des konings.

11

En men zal daarin wonen, en er zal geen ban meer zijn; maar Jeruzalem zal veilig bewoond worden.

12

En dit zal de plaag zijn waarmee de HEER al de volken zal slaan die tegen Jeruzalem gestreden hebben: hun vlees zal wegteren terwijl zij op hun voeten staan, en hun ogen zullen wegteren in hun holten, en hun tong zal wegteren in hun mond.

13

En het zal geschieden te dien dage, dat er een grote verwarring van de HEER onder hen zal zijn; en zij zullen een ieder de hand van zijn naaste grijpen, en zijn hand zal zich verheffen tegen de hand van zijn naaste.

14

En ook Juda zal strijden bij Jeruzalem; en de rijkdom van al de heidenen rondom zal verzameld worden: goud, en zilver, en kleding, in grote overvloed.

15

En zo zal de plaag zijn van het paard, van de muilezel, van de kameel, en van de ezel, en van al het vee dat in die legers zal zijn, als deze plaag.

16

En het zal geschieden dat een ieder die overgebleven is uit al de heidenen die tegen Jeruzalem gekomen zijn, van jaar tot jaar zal optrekken om de Koning, de HEER der heerscharen, te aanbidden, en om het Loofhuttenfeest te vieren.

17

En het zal geschieden dat wie van alle geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem om de Koning, de HEER der heerscharen, te aanbidden, over hen zal geen regen zijn.