Zacharia 7:8
“En het woord des HEREN kwam tot Zacharia, zeggende:”
Kruisverwijzingen
Context
Zacharia 7 — omringende verzen
En om te spreken tot de priesters die in het huis des HEREN der heerscharen waren, en tot de profeten, zeggende: Moet ik wenen in de vijfde maand, mij afzonderende, zoals ik gedaan heb nu zo vele jaren?
4Toen kwam het woord des HEREN der heerscharen tot mij, zeggende:
5Spreek tot het ganse volk des lands en tot de priesters, zeggende: Toen gij vastte en rouw bedreeft in de vijfde en in de zevende maand, en dat wel zeventig jaar lang, hebt gij dan voor Mij gevast, ja, voor Mij?
6En toen gij at en toen gij dronkt, waart gij het niet die at en die dronk?
7Zoudt gij niet horen de woorden die de HEER geroepen heeft door de vorige profeten, toen Jeruzalem bewoond was en voorspoedig, en haar steden rondom haar, toen het zuiden en de laagte bewoond werden?
En het woord des HEREN kwam tot Zacharia, zeggende:
Zo spreekt de HEER der heerscharen, zeggende: Oefent waarachtig recht, en bewijst ieder barmhartigheid en ontfermingen jegens zijn broeder;
10En verdrukt de weduwe en de wees, de vreemdeling en de arme niet; en bedenkt in uw hart geen kwaad, de een tegen de ander.
11Maar zij weigerden op te letten en wendden de schouder af en verstopten hun oren, zodat zij niet hoorden.
12Ja, zij maakten hun hart als een diamantsteen, opdat zij de wet niet zouden horen, en de woorden die de HEER der heerscharen door Zijn Geest gezonden had door de vorige profeten; daarom kwam er een grote toorn van de HEER der heerscharen.
13Daarom is het geschied, dat zoals Hij riep en zij niet hoorden, zo riepen zij en Ik hoorde niet, spreekt de HEER der heerscharen;