Psalmen 32
Welzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
Welzalig is de mens aan wie de HEER de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
Toen ik zweeg, verouderde mijn gebeente door mijn gejammer de ganse dag.
Want dag en nacht lag Uw hand zwaar op mij; mijn merg verdroogde als in de zomerhitte. Sela.
Mijn zonde heb ik U bekend, en mijn ongerechtigheid heb ik niet verborgen. Ik zeide: Ik zal mijn overtredingen belijden aan de HEER; en U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde. Sela.
Daarom zal een ieder die godvrezend is, tot U bidden ten tijde dat U gevonden kunt worden; voorwaar, in de vloed van grote wateren zullen zij hem niet naderen.
U bent mijn schuilplaats; U zult mij bewaren voor benauwdheid; U zult mij omringen met liederen van bevrijding. Sela.
Ik zal u onderwijzen en u leren in de weg die u gaan zult; Ik zal u leiden met mijn oog.
Weest niet als het paard of als de muilezel, die geen verstand hebben, welker mond bedwongen moet worden met bit en toom, opdat zij u niet te nabij komen.
Vele smarten zijn er voor de goddeloze; maar die op de HEER vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
Verheugt u in de HEER en weest blij, gij rechtvaardigen; jubelt van vreugde, allen die oprecht van hart zijn.
11 verzen
Statenvertaling