Psalmen 32:2
“Welzalig is de mens aan wie de HEER de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.”
Kruisverwijzingen
Context
Psalmen 32 — omringende verzen
Welzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
Welzalig is de mens aan wie de HEER de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
Toen ik zweeg, verouderde mijn gebeente door mijn gejammer de ganse dag.
4Want dag en nacht lag Uw hand zwaar op mij; mijn merg verdroogde als in de zomerhitte. Sela.
5Mijn zonde heb ik U bekend, en mijn ongerechtigheid heb ik niet verborgen. Ik zeide: Ik zal mijn overtredingen belijden aan de HEER; en U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde. Sela.
6Daarom zal een ieder die godvrezend is, tot U bidden ten tijde dat U gevonden kunt worden; voorwaar, in de vloed van grote wateren zullen zij hem niet naderen.
7U bent mijn schuilplaats; U zult mij bewaren voor benauwdheid; U zult mij omringen met liederen van bevrijding. Sela.