Psalmen 32:6
“Daarom zal een ieder die godvrezend is, tot U bidden ten tijde dat U gevonden kunt worden; voorwaar, in de vloed van grote wateren zullen zij hem niet naderen.”
Kruisverwijzingen
Context
Psalmen 32 — omringende verzen
Welzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
2Welzalig is de mens aan wie de HEER de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
3Toen ik zweeg, verouderde mijn gebeente door mijn gejammer de ganse dag.
4Want dag en nacht lag Uw hand zwaar op mij; mijn merg verdroogde als in de zomerhitte. Sela.
5Mijn zonde heb ik U bekend, en mijn ongerechtigheid heb ik niet verborgen. Ik zeide: Ik zal mijn overtredingen belijden aan de HEER; en U vergaf de ongerechtigheid van mijn zonde. Sela.
Daarom zal een ieder die godvrezend is, tot U bidden ten tijde dat U gevonden kunt worden; voorwaar, in de vloed van grote wateren zullen zij hem niet naderen.
U bent mijn schuilplaats; U zult mij bewaren voor benauwdheid; U zult mij omringen met liederen van bevrijding. Sela.
8Ik zal u onderwijzen en u leren in de weg die u gaan zult; Ik zal u leiden met mijn oog.
9Weest niet als het paard of als de muilezel, die geen verstand hebben, welker mond bedwongen moet worden met bit en toom, opdat zij u niet te nabij komen.
10Vele smarten zijn er voor de goddeloze; maar die op de HEER vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
11Verheugt u in de HEER en weest blij, gij rechtvaardigen; jubelt van vreugde, allen die oprecht van hart zijn.