Psalmen 5
Neem mijn woorden ter ore, o HEER, merk op mijn overdenking.
Luister naar de stem van mijn geroep, mijn Koning en mijn God, want tot U bid ik.
Des morgens zult U mijn stem horen, o HEER; des morgens zal ik mijn gebed tot U richten en zal uitzien.
Want U bent geen God die welgevallen heeft in goddeloosheid; het kwaad zal bij U niet verkeren.
De dwazen zullen niet bestaan voor Uw ogen; U haat allen die ongerechtigheid bedrijven.
U zult hen verderven die leugen spreken; de HEER verafschuwt de bloeddorstige en bedrieglijke man.
Maar ik zal door de veelheid van Uw goedertierenheid Uw huis binnengaan; in Uw vreze zal ik mij neerbukken naar Uw heilig tempelhuis.
Leid mij, o HEER, in Uw gerechtigheid om mijner vijanden wil; maak Uw weg effen voor mijn aangezicht.
Want er is geen oprechtheid in hun mond; hun binnenste is enkel verderf; hun keel is een open graf; met hun tong vleien zij.
Verdoe hen, o God; laat hen vallen door hun eigen plannen; stoot hen weg in de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn tegen U in opstand gekomen.
Maar laat allen die op U vertrouwen zich verblijden; laat hen altoos jubelen, omdat U hen beschermt; en laat hen die Uw naam liefhebben in U juichen.
Want U, o HEER, zult de rechtvaardige zegenen; met gunst zult U hem omringen als met een schild.
12 verzen
Statenvertaling