Psalmen 60
O God, Gij hebt ons verstoten, Gij hebt ons verstrooid, Gij zijt verbolgen geweest; keer U weder tot ons.
Gij hebt de aarde doen beven, Gij hebt haar gescheurd; genees haar breuken, want zij wankelt.
Gij hebt Uw volk harde dingen doen zien; Gij hebt ons de wijn der verbijstering te drinken gegeven.
Gij hebt een banier gegeven aan hen die U vrezen, opdat zij zou opgeheven worden vanwege de waarheid. Sela.
Opdat Uw beminden bevrijd worden; verlos door Uw rechterhand en verhoor mij.
God heeft gesproken in Zijn heiligheid; ik zal juichen, ik zal Sichem verdelen en het dal van Sukkoth zal ik opmeten.
Gilead is van Mij, en Manasse is van Mij; Efraïm is de sterkte van Mijn hoofd; Juda is Mijn wetgever.
Moab is Mijn waskom; over Edom zal Ik Mijn schoen werpen; over Mij, o Filistea, zult gij juichen.
Wie zal mij brengen in de vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?
Zult niet Gij het zijn, o God, Die ons verstoten hebt, en zult Gij, o God, niet uittrekken met onze heiren?
Geef ons hulp uit de benauwdheid, want des mensen hulp is ijdel.
In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze vijanden vertreden.
12 verzen
Statenvertaling