1 Korintiërs 9:6
“Of hebben alleen ik en Barnabas niet het recht om van werken af te zien?”
Kruisverwijzingen
Context
1 Korintiërs 9 — omringende verzen
Ben ik geen apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onze Heer, gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Heer?
2Indien ik voor anderen geen apostel ben, dan ben ik dat toch zeker voor u; want het zegel van mijn apostelschap zijt gij in de Heer.
3Mijn antwoord aan hen die mij ondervragen, is dit:
4Hebben wij niet het recht om te eten en te drinken?
5Hebben wij niet het recht om een zuster, een vrouw, mee te nemen, evenals de andere apostelen, en de broeders des Heren, en Cefas?
Of hebben alleen ik en Barnabas niet het recht om van werken af te zien?
Wie dient ooit als soldaat op eigen kosten? Wie plant een wijngaard en eet niet van de vrucht daarvan? Of wie weidt een kudde en drinkt niet van de melk der kudde?
8Zeg ik deze dingen als een mens? Of zegt de wet niet hetzelfde?
9Want er is geschreven in de wet van Mozes: Gij zult een dorsende os niet muilbanden. Bekommert God Zich om ossen?
10Of zegt Hij het geheel en al om onzentwil? Want om onzentwil is dit ongetwijfeld geschreven: dat hij die ploegt, in hoop moet ploegen; en dat hij die dorst, in hoop moet dorsen, deelgenoot te zijn van zijn hoop.
11Indien wij voor u geestelijke dingen gezaaid hebben, is het dan een grote zaak als wij uw stoffelijke dingen oogsten?