1 Kronieken 15:16
“En David zeide tot de oversten der Levieten dat zij hun broeders, de zangers, zouden aanstellen met muziekinstrumenten, luiten en harpen en cimbalen, luid klinkend, om de stem met vreugde te verheffen.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 15 — omringende verzen
En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriël, Asaja en Joël, Semaja en Eliël en Amminadab,
12En hij zeide tot hen: Gij zijt de hoofden van de vaderlijke huizen der Levieten; heiligt uzelf, gij en uw broeders, opdat gij de ark des HEREN, de God van Israël, kunt opbrengen naar de plaats die ik daarvoor bereid heb.
13Want omdat gij het de eerste keer niet gedaan hebt, heeft de HEER, onze God, een bres onder ons gemaakt, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar de rechte wijze.
14Zo heiligden de priesters en de Levieten zich, om de ark des HEREN, de God van Israël, op te brengen.
15En de zonen der Levieten droegen de ark Gods op hun schouders met de draagstokken, zoals Mozes geboden had overeenkomstig het woord des HEREN.
En David zeide tot de oversten der Levieten dat zij hun broeders, de zangers, zouden aanstellen met muziekinstrumenten, luiten en harpen en cimbalen, luid klinkend, om de stem met vreugde te verheffen.
Zo stelden de Levieten aan Heman, de zoon van Joël, en van zijn broeders Asaf, de zoon van Berechja, en van de zonen van Merari, hun broeders, Ethan, de zoon van Kusaja;
18En met hen hun broeders van de tweede rang: Zacharia, Ben en Jaäziël, en Semiramoth en Jehiël en Unni, Eliab en Benaja en Maäseja en Mattithja en Elifeleh en Mikneja, en Obed-Edom en Jeiël, de poortwachters.
19De zangers Heman, Asaf en Ethan waren aangesteld om te klinken met koperen cimbalen;
20En Zacharia en Aziël en Semiramoth en Jehiël en Unni, en Eliab en Maäseja en Benaja, met luiten op Alamoth;
21En Mattithja en Elifeleh en Mikneja en Obed-Edom, en Jeiël en Azazja, met harpen op de Seminith, om te leiden.