1 Kronieken 2:28
“En de zonen van Onam waren: Sammai en Jada. En de zonen van Sammai: Nadab en Abisur.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 2 — omringende verzen
En hij nam Gesur en Aram in, met de dorpen van Jaïr, van hen, met Kenath en de dorpen daarvan, zestig steden. Dit alles behoorde aan de zonen van Machir, de vader van Gilead.
24En nadat Hezron gestorven was te Kaleb-Efrata, baarde Abia, de vrouw van Hezron, hem Assur, de vader van Tekoa.
25En de zonen van Jerahmeel, de eerstgeborene van Hezron, waren: Ram de eerstgeborene, en Buna, en Oren, en Ozem, en Ahija.
26Jerahmeel had ook nog een andere vrouw, wier naam Atara was; zij was de moeder van Onam.
27En de zonen van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeel, waren: Maäz, en Jamin, en Eker.
En de zonen van Onam waren: Sammai en Jada. En de zonen van Sammai: Nadab en Abisur.
En de naam van de vrouw van Abisur was Abihail, en zij baarde hem Ahban en Molid.
30En de zonen van Nadab: Seled en Appaïm; maar Seled stierf zonder kinderen.
31En de zonen van Appaïm: Isi. En de zonen van Isi: Sesan. En de kinderen van Sesan: Ahlai.
32En de zonen van Jada, de broeder van Sammai: Jether en Jonathan; en Jether stierf zonder kinderen.
33En de zonen van Jonathan: Peleth en Zaza. Dit waren de zonen van Jerahmeel.