1 Kronieken 2:30
“En de zonen van Nadab: Seled en Appaïm; maar Seled stierf zonder kinderen.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 2 — omringende verzen
En de zonen van Jerahmeel, de eerstgeborene van Hezron, waren: Ram de eerstgeborene, en Buna, en Oren, en Ozem, en Ahija.
26Jerahmeel had ook nog een andere vrouw, wier naam Atara was; zij was de moeder van Onam.
27En de zonen van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeel, waren: Maäz, en Jamin, en Eker.
28En de zonen van Onam waren: Sammai en Jada. En de zonen van Sammai: Nadab en Abisur.
29En de naam van de vrouw van Abisur was Abihail, en zij baarde hem Ahban en Molid.
En de zonen van Nadab: Seled en Appaïm; maar Seled stierf zonder kinderen.
En de zonen van Appaïm: Isi. En de zonen van Isi: Sesan. En de kinderen van Sesan: Ahlai.
32En de zonen van Jada, de broeder van Sammai: Jether en Jonathan; en Jether stierf zonder kinderen.
33En de zonen van Jonathan: Peleth en Zaza. Dit waren de zonen van Jerahmeel.
34Nu had Sesan geen zonen, maar dochters. En Sesan had een dienaar, een Egyptenaar, wiens naam Jarha was.
35En Sesan gaf zijn dochter aan Jarha, zijn dienaar, tot vrouw; en zij baarde hem Attai.