1 Kronieken 2:29
“En de naam van de vrouw van Abisur was Abihail, en zij baarde hem Ahban en Molid.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 2 — omringende verzen
En nadat Hezron gestorven was te Kaleb-Efrata, baarde Abia, de vrouw van Hezron, hem Assur, de vader van Tekoa.
25En de zonen van Jerahmeel, de eerstgeborene van Hezron, waren: Ram de eerstgeborene, en Buna, en Oren, en Ozem, en Ahija.
26Jerahmeel had ook nog een andere vrouw, wier naam Atara was; zij was de moeder van Onam.
27En de zonen van Ram, de eerstgeborene van Jerahmeel, waren: Maäz, en Jamin, en Eker.
28En de zonen van Onam waren: Sammai en Jada. En de zonen van Sammai: Nadab en Abisur.
En de naam van de vrouw van Abisur was Abihail, en zij baarde hem Ahban en Molid.
En de zonen van Nadab: Seled en Appaïm; maar Seled stierf zonder kinderen.
31En de zonen van Appaïm: Isi. En de zonen van Isi: Sesan. En de kinderen van Sesan: Ahlai.
32En de zonen van Jada, de broeder van Sammai: Jether en Jonathan; en Jether stierf zonder kinderen.
33En de zonen van Jonathan: Peleth en Zaza. Dit waren de zonen van Jerahmeel.
34Nu had Sesan geen zonen, maar dochters. En Sesan had een dienaar, een Egyptenaar, wiens naam Jarha was.