Terug naar 1 Kronieken 21
VSV
Statenvertaling

1 Kronieken 21:12

Hetzij drie jaar van hongersnood; of drie maanden lang verdelgd te worden voor uw vijanden, terwijl het zwaard uwer vijanden u achterhaalt; of drie dagen lang het zwaard des HEREN, namelijk de pest in het land, en de engel des HEREN verdelgende in alle landpalen van Israël. Beraad u nu dan, welk woord ik hem die mij gezonden heeft, zal terugbrengen.

Kruisverwijzingen

Context

1 Kronieken 21 — omringende verzen

7

En God was misnoegd over dit ding; daarom sloeg Hij Israël.

8

En David zeide tot God: Ik heb zwaar gezondigd, omdat ik dit gedaan heb; maar nu, ik bid U, doe de ongerechtigheid van Uw knecht weg; want ik heb zeer dwaas gehandeld.

9

En de HEER sprak tot Gad, Davids ziener, zeggende:

10

Ga heen en zeg aan David: Zo zegt de HEER, Ik bied u drie dingen aan; kies er één voor uzelf, opdat Ik het u doe.

11

Zo kwam Gad tot David en zeide tot hem: Zo zegt de HEER, kies voor uzelf:

12

Hetzij drie jaar van hongersnood; of drie maanden lang verdelgd te worden voor uw vijanden, terwijl het zwaard uwer vijanden u achterhaalt; of drie dagen lang het zwaard des HEREN, namelijk de pest in het land, en de engel des HEREN verdelgende in alle landpalen van Israël. Beraad u nu dan, welk woord ik hem die mij gezonden heeft, zal terugbrengen.

13

En David zeide tot Gad: Ik ben in grote benauwdheid; laat mij toch vallen in de hand des HEREN, want Zijn barmhartigheden zijn zeer groot; maar laat mij niet vallen in de hand van de mens.

14

Toen zond de HEER een pest over Israël; en er vielen van Israël zeventigduizend man.

15

En God zond een engel naar Jeruzalem om het te verderven; en terwijl hij verdierf, aanschouwde de HEER het, en Hij berouwde Hem over het onheil en zeide tot de engel die verdierf: Het is genoeg, trek uw hand nu terug. En de engel des HEREN stond bij de dorsvloer van Ornan de Jebusiet.

16

En David hief zijn ogen op en zag de engel des HEREN staan tussen de aarde en de hemel, met een getrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem. Toen vielen David en de oudsten van Israël, die in zakken gekleed waren, op hun aangezicht.

17

En David zeide tot God: Ben ik het niet die het bevel gaf het volk te tellen? Ja, ik ben het die gezondigd en werkelijk kwaad gedaan heb; maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? HEER, mijn God, laat Uw hand toch op mij en op het huis van mijn vader zijn, maar niet op Uw volk, dat zij geslagen worden.