Terug naar 1 Kronieken 21
VSV
Statenvertaling

1 Kronieken 21:22

Toen zeide David tot Ornan: Geef mij de plaats van deze dorsvloer, opdat ik daarop een altaar voor de HEER bouw; geef mij die voor de volle prijs, opdat de plaag van het volk geweerd worde.

Kruisverwijzingen

Context

1 Kronieken 21 — omringende verzen

17

En David zeide tot God: Ben ik het niet die het bevel gaf het volk te tellen? Ja, ik ben het die gezondigd en werkelijk kwaad gedaan heb; maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? HEER, mijn God, laat Uw hand toch op mij en op het huis van mijn vader zijn, maar niet op Uw volk, dat zij geslagen worden.

18

Toen gebood de engel des HEREN Gad om David te zeggen dat David moest opgaan en een altaar voor de HEER oprichten op de dorsvloer van Ornan de Jebusiet.

19

En David ging op naar het woord van Gad, dat hij gesproken had in de naam des HEREN.

20

En Ornan keerde zich om en zag de engel; en zijn vier zonen die bij hem waren, verborgen zich. Nu was Ornan bezig tarwe te dorsen.

21

En toen David naar Ornan toe kwam, sloeg Ornan zijn ogen op, zag David, en ging de dorsvloer uit, en boog zich voor David neer met zijn aangezicht ter aarde.

22

Toen zeide David tot Ornan: Geef mij de plaats van deze dorsvloer, opdat ik daarop een altaar voor de HEER bouw; geef mij die voor de volle prijs, opdat de plaag van het volk geweerd worde.

23

En Ornan zeide tot David: Neem hem voor u, en mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen; zie, ik geef ook de runderen voor de brandoffers, en de dorsinstrumenten voor het hout, en de tarwe voor het spijsoffer; ik geef dit alles.

24

Maar de koning David zeide tot Ornan: Neen, maar ik zal het zekerlijk voor de volle prijs kopen; want ik zal het uwe niet voor de HEER nemen, noch brandoffers brengen zonder kosten.

25

Zo gaf David aan Ornan voor die plaats zeshonderd sikkel goud naar gewicht.

26

En David bouwde daar een altaar voor de HEER, en bracht brandoffers en vredeoffers, en riep de HEER aan; en Hij antwoordde hem met vuur uit de hemel op het brandofferaltaar.

27

En de HEER gebood de engel; en hij stak zijn zwaard terug in de schede.