1 Kronieken 4:8
“En Koz verwekte Anub, en Zobeba, en de geslachten van Aharhel, de zoon van Harum.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 4 — omringende verzen
En dezen behoorden tot de vader van Etam: Jizreël, en Isma, en Idbas; en de naam van hun zuster was Hazeëlponi;
4En Penuël, de vader van Gedor, en Ezer, de vader van Husa. Dit zijn de zonen van Hur, de eerstgeborene van Efrata, de vader van Bethlehem.
5En Assur, de vader van Tekoa, had twee vrouwen: Hela en Naara.
6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Ha-ahastari. Dit waren de zonen van Naara.
7En de zonen van Hela waren: Zeret, en Jezoar, en Etnan.
En Koz verwekte Anub, en Zobeba, en de geslachten van Aharhel, de zoon van Harum.
En Jabez was achtenswaardiger dan zijn broeders; en zijn moeder noemde zijn naam Jabez, zeggende: Omdat ik hem met smart gebaard heb.
10En Jabez riep de God van Israël aan en zeide: O, dat U mij rijkelijk zoudt zegenen en mijn gebied vergroten, en dat Uw hand met mij zou zijn, en dat U mij van het kwaad zou bewaren, zodat het mij niet bedroeft! En God gaf hem wat hij verzocht had.
11En Kelub, de broeder van Sua, verwekte Mehir, die de vader van Eston was.
12En Eston verwekte Bet-Rafa, en Paseah, en Tehinna, de vader van Ir-Nahas. Dit zijn de mannen van Recha.
13En de zonen van Kenaz: Otniël en Seraja; en de zonen van Otniël: Hatat.