1 Kronieken 5:22
“Want er vielen velen verslagen neer, omdat de oorlog van God was. En zij woonden in hun plaats tot aan de ballingschap toe.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 5 — omringende verzen
Dezen allen werden in de geslachtsregisters opgetekend in de dagen van Jotham, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israël.
18De zonen van Ruben en de Gadieten en de halve stam van Manasse, uit dappere mannen, mannen die schild en zwaard konden hanteren en met de boog konden schieten en geoefend waren in de oorlog, waren vierenveertigduizend zevenhonderdzestig, die ten strijde uittrokken.
19En zij voerden oorlog met de Hagarieten, met Jetur en Nafis en Nodab.
20En zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarieten werden in hun hand overgeleverd, en allen die met hen waren, want zij riepen tot God in de strijd, en Hij liet Zich door hen verbidden, omdat zij op Hem vertrouwden.
21En zij voerden hun vee weg: van hun kamelen vijftigduizend, en van schapen tweehonderdvijftigduizend, en van ezels tweeduizend, en van mensen honderdduizend.
Want er vielen velen verslagen neer, omdat de oorlog van God was. En zij woonden in hun plaats tot aan de ballingschap toe.
En de zonen van de halve stam van Manasse woonden in het land. Zij breidden zich uit van Basan af tot aan Baäl-Hermon en Senir en de berg Hermon toe.
24En dit waren de hoofden van het huis van hun vaderen: Hefer en Jisi en Eliël en Azriël en Jeremia en Hodavia en Jahdiël, dappere helden, beroemde mannen, hoofden van het huis van hun vaderen.
25Maar zij overtraden tegen de God van hun vaderen en hoereerden de goden van de volken van het land na, die God voor hun aangezicht verdelgd had.
26Daarom wekte de God van Israël de geest op van Pul, de koning van Assyrië, en de geest van Tiglat-Pilneser, de koning van Assyrië, en hij voerde hen weg, namelijk de Rubenieten en de Gadieten en de halve stam van Manasse, en hij bracht hen naar Halah en Habor en Hara en naar de rivier Gozan, tot op deze dag.