1 Kronieken 6:53
“Zadok zijn zoon, Ahimaäz zijn zoon.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 6 — omringende verzen
Ook hun broeders, de Levieten, waren aangesteld voor allerlei dienst van de tabernakel van het huis Gods.
49Maar Aäron en zijn zonen offerden op het brandofferaltaar en op het reukofferaltaar, en waren aangesteld voor al het werk van het allerheiligste, en om verzoening te doen voor Israël, overeenkomstig alles wat Mozes, de dienaar Gods, geboden had.
50En dit zijn de zonen van Aäron: Eleazar zijn zoon, Pinehas zijn zoon, Abisua zijn zoon,
51Bukki zijn zoon, Uzzi zijn zoon, Zerahja zijn zoon,
52Merajoth zijn zoon, Amarja zijn zoon, Ahitub zijn zoon,
Zadok zijn zoon, Ahimaäz zijn zoon.
Dit nu zijn hun woonplaatsen in hun vestingen binnen hun grenzen, van de zonen van Aäron, van de geslachten der Kahathieten, want hun was het lot.
55En zij gaven hun Hebron in het land Juda, met de weiden daaromheen.
56Maar de akkers van de stad en de dorpen daarvan gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne.
57En aan de zonen van Aäron gaven zij de steden van Juda, namelijk Hebron, de vrijstad, en Libna met haar weiden, en Jattir, en Estemoa met hun weiden,
58En Hilen met haar weiden, Debir met haar weiden,