1 Samuël 18:24
“En de dienaren van Saul berichtten het hem en zeiden: Aldus sprak David.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 18 — omringende verzen
Maar het geschiedde op de tijd dat Merab, de dochter van Saul, aan David gegeven had moeten worden, dat zij aan Adriël de Mecholathiet tot vrouw gegeven werd.
20En Michal, de dochter van Saul, had David lief; en zij vertelden het Saul, en de zaak was aangenaam in zijn ogen.
21En Saul zei: Ik zal hem haar geven, opdat zij hem tot een strik zij, en opdat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zei Saul tot David: Met één van de twee zult u heden mijn schoonzoon zijn.
22En Saul gebood zijn dienaren, zeggende: Spreekt in het verborgene met David, en zegt: Zie, de koning heeft een welgevallen in u, en al zijn dienaren hebben u lief; wees nu de schoonzoon van de koning.
23En de dienaren van Saul spraken deze woorden ten aanhoren van David. En David zei: Lijkt het u een geringe zaak de schoonzoon van de koning te zijn, aangezien ik een arm man ben en gering geacht?
En de dienaren van Saul berichtten het hem en zeiden: Aldus sprak David.
En Saul zei: Zegt aldus tot David: De koning begeert geen bruidsschat, maar honderd voorhuiden der Filistijnen, om wraak te nemen aan de vijanden des konings. Maar Saul dacht David te doen vallen door de hand der Filistijnen.
26En toen zijn dienaren David deze woorden berichtten, was het David aangenaam de schoonzoon van de koning te zijn; en de dagen waren nog niet verstreken.
27Daarom stond David op en ging, hij en zijn mannen, en versloeg tweehonderd man van de Filistijnen; en David bracht hun voorhuiden en legde ze in vol getal voor de koning neer, opdat hij de schoonzoon van de koning zou zijn. En Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw.
28En Saul zag en wist dat de HEER met David was, en dat Michal, de dochter van Saul, hem liefhad.
29En Saul was nog meer bevreesd voor David; en Saul werd voortdurend de vijand van David.