Terug naar 1 Samuël 25
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 25:31

dat dit voor u geen aanstoot zal zijn, noch een struikelblok voor het hart van mijn heer, dat gij zonder reden bloed vergoten hebt, of dat mijn heer zich gewroken heeft. En wanneer de HEER mijn heer goed behandeld heeft, gedenk dan uw dienstmaagd.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 25 — omringende verzen

26

Nu dan, mijn heer, zo waar de HEER leeft en uw ziel leeft: de HEER heeft u weerhouden van het komen om bloed te vergieten en om met uw eigen hand wraak te nemen. En nu, laten uw vijanden en zij die kwaad zoeken tegen mijn heer, zijn als Nabal.

27

En nu, dit geschenk dat uw dienstmaagd aan mijn heer heeft meegebracht, laat het gegeven worden aan de jonge mannen die mijn heer volgen.

28

Vergeef toch de overtreding van uw dienstmaagd; want de HEER zal mijn heer zeker een bestendig huis maken, omdat mijn heer de veldslagen van de HEER strijdt, en er is geen kwaad in u gevonden in al uw dagen.

29

Al is een man opgestaan om u te vervolgen en uw leven te zoeken, toch zal de ziel van mijn heer gebonden zijn in de bundel der levenden bij de HEER uw God; maar de zielen van uw vijanden zal Hij wegslingeren, als vanuit het midden van een slinger.

30

En het zal geschieden, wanneer de HEER aan mijn heer gedaan heeft naar al het goede dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u tot vorst over Israël aangesteld heeft,

31

dat dit voor u geen aanstoot zal zijn, noch een struikelblok voor het hart van mijn heer, dat gij zonder reden bloed vergoten hebt, of dat mijn heer zich gewroken heeft. En wanneer de HEER mijn heer goed behandeld heeft, gedenk dan uw dienstmaagd.

32

En David zei tot Abigaïl: Gezegend zij de HEER, de God van Israël, Die u heden gezonden heeft om mij te ontmoeten!

33

En gezegend zij uw raad, en gezegend zijt gij, die mij heden weerhouden hebt van bloedvergieten en van het nemen van wraak met mijn eigen hand.

34

Want, zo waar de HEER, de God van Israël, leeft, Die mij weerhouden heeft van u te schaden: indien gij u niet gehaast had en mij tegemoet gekomen was, dan was er van Nabal tegen de morgen zeker niemand overgebleven die tegen een muur plast.

35

Zo nam David van haar hand aan wat zij hem meegebracht had, en zei tot haar: Ga in vrede naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem geluisterd en uw persoon aanvaard.

36

En Abigaïl kwam bij Nabal, en zie, hij hield een feestmaal in zijn huis, als het feestmaal van een koning; en Nabals hart was vrolijk van binnen, want hij was zeer dronken. Daarom vertelde zij hem niets, noch weinig noch veel, tot de morgenstond.