Terug naar 2 Koningen 18
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 18:17

En de koning van Assyrië zond Tartan en Rabsaris en Rabsake van Lachis naar koning Hizkia met een groot leger tegen Jeruzalem. En zij trokken op en kwamen naar Jeruzalem. En toen zij gekomen waren, kwamen zij en stelden zich op bij de waterleiding van de bovenste vijver, die aan de weg van het veld der wolwassers is.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 18 — omringende verzen

12

Omdat zij de stem van de HEER, hun God, niet gehoorzaamden, maar Zijn verbond overtraden, en alles wat Mozes, de knecht van de HEER, geboden had, en zij wilden er niet naar horen, noch ernaar handelen.

13

Nu trok in het veertiende jaar van koning Hizkia Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen al de versterkte steden van Juda en nam ze in.

14

En Hizkia, de koning van Juda, zond bericht aan de koning van Assyrië te Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd; keer van mij af; wat gij mij oplegt, zal ik dragen. En de koning van Assyrië legde Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud op.

15

En Hizkia gaf hem al het zilver dat gevonden werd in het huis van de HEER, en in de schatkamers van het huis des konings.

16

Te dien tijde sneed Hizkia het goud af van de deuren van de tempel van de HEER, en van de pilaren die Hizkia, de koning van Juda, had laten vergulden, en gaf het aan de koning van Assyrië.

17

En de koning van Assyrië zond Tartan en Rabsaris en Rabsake van Lachis naar koning Hizkia met een groot leger tegen Jeruzalem. En zij trokken op en kwamen naar Jeruzalem. En toen zij gekomen waren, kwamen zij en stelden zich op bij de waterleiding van de bovenste vijver, die aan de weg van het veld der wolwassers is.

18

En toen zij de koning geroepen hadden, kwamen tot hen naar buiten Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.

19

En Rabsake zeide tot hen: Spreekt toch tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dat vertrouwen waarmee gij vertrouwt?

20

Gij zegt — maar het zijn ijdele woorden — ik heb raad en kracht voor de oorlog. Op wie vertrouwt gij nu, dat gij u tegen mij verzet?

21

Zie, gij vertrouwt op de staf van dit geknakte riet, op Egypte, waarop als iemand steunt, het zijn hand inboort en doorsteken zal; zo is Farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.

22

Maar als gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEER, onze God; is dat niet Hij, wiens offerhoogten en wiens altaren Hizkia heeft weggenomen, en tot Juda en Jeruzalem heeft gezegd: Voor dit altaar zult gij u buigen in Jeruzalem?