2 Koningen 18:22
“Maar als gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEER, onze God; is dat niet Hij, wiens offerhoogten en wiens altaren Hizkia heeft weggenomen, en tot Juda en Jeruzalem heeft gezegd: Voor dit altaar zult gij u buigen in Jeruzalem?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 18 — omringende verzen
En de koning van Assyrië zond Tartan en Rabsaris en Rabsake van Lachis naar koning Hizkia met een groot leger tegen Jeruzalem. En zij trokken op en kwamen naar Jeruzalem. En toen zij gekomen waren, kwamen zij en stelden zich op bij de waterleiding van de bovenste vijver, die aan de weg van het veld der wolwassers is.
18En toen zij de koning geroepen hadden, kwamen tot hen naar buiten Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.
19En Rabsake zeide tot hen: Spreekt toch tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dat vertrouwen waarmee gij vertrouwt?
20Gij zegt — maar het zijn ijdele woorden — ik heb raad en kracht voor de oorlog. Op wie vertrouwt gij nu, dat gij u tegen mij verzet?
21Zie, gij vertrouwt op de staf van dit geknakte riet, op Egypte, waarop als iemand steunt, het zijn hand inboort en doorsteken zal; zo is Farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.
Maar als gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEER, onze God; is dat niet Hij, wiens offerhoogten en wiens altaren Hizkia heeft weggenomen, en tot Juda en Jeruzalem heeft gezegd: Voor dit altaar zult gij u buigen in Jeruzalem?
Welnu dan, sluit toch een weddenschap met mijn heer, de koning van Assyrië: ik zal u tweeduizend paarden geven, als gij in staat bent ruiters daarvoor te stellen van uw kant.
24Hoe zoudt gij dan het aangezicht van één stadhouder kunnen afwenden van de minste der knechten van mijn heer, en op Egypte vertrouwen voor strijdwagens en voor ruiters?
25Ben ik nu opgetrokken zonder de HEER tegen deze plaats om haar te verderven? De HEER heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verderf het.
26Toen zeiden Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in de Aramese taal, want wij verstaan die; en spreek niet met ons in de Joodse taal ten aanhoren van het volk dat op de muur is.
27Maar Rabsake zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is hij mij niet ook gezonden tot de mannen die op de muur zitten, om hun eigen drek te eten en hun eigen urine te drinken met u?