2 Koningen 18:19
“En Rabsake zeide tot hen: Spreekt toch tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dat vertrouwen waarmee gij vertrouwt?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 18 — omringende verzen
En Hizkia, de koning van Juda, zond bericht aan de koning van Assyrië te Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd; keer van mij af; wat gij mij oplegt, zal ik dragen. En de koning van Assyrië legde Hizkia, de koning van Juda, driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud op.
15En Hizkia gaf hem al het zilver dat gevonden werd in het huis van de HEER, en in de schatkamers van het huis des konings.
16Te dien tijde sneed Hizkia het goud af van de deuren van de tempel van de HEER, en van de pilaren die Hizkia, de koning van Juda, had laten vergulden, en gaf het aan de koning van Assyrië.
17En de koning van Assyrië zond Tartan en Rabsaris en Rabsake van Lachis naar koning Hizkia met een groot leger tegen Jeruzalem. En zij trokken op en kwamen naar Jeruzalem. En toen zij gekomen waren, kwamen zij en stelden zich op bij de waterleiding van de bovenste vijver, die aan de weg van het veld der wolwassers is.
18En toen zij de koning geroepen hadden, kwamen tot hen naar buiten Eljakim, de zoon van Hilkia, die over het huis was, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.
En Rabsake zeide tot hen: Spreekt toch tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat is dat vertrouwen waarmee gij vertrouwt?
Gij zegt — maar het zijn ijdele woorden — ik heb raad en kracht voor de oorlog. Op wie vertrouwt gij nu, dat gij u tegen mij verzet?
21Zie, gij vertrouwt op de staf van dit geknakte riet, op Egypte, waarop als iemand steunt, het zijn hand inboort en doorsteken zal; zo is Farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.
22Maar als gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEER, onze God; is dat niet Hij, wiens offerhoogten en wiens altaren Hizkia heeft weggenomen, en tot Juda en Jeruzalem heeft gezegd: Voor dit altaar zult gij u buigen in Jeruzalem?
23Welnu dan, sluit toch een weddenschap met mijn heer, de koning van Assyrië: ik zal u tweeduizend paarden geven, als gij in staat bent ruiters daarvoor te stellen van uw kant.
24Hoe zoudt gij dan het aangezicht van één stadhouder kunnen afwenden van de minste der knechten van mijn heer, en op Egypte vertrouwen voor strijdwagens en voor ruiters?