Terug naar 2 Koningen 18
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 18:25

Ben ik nu opgetrokken zonder de HEER tegen deze plaats om haar te verderven? De HEER heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verderf het.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 18 — omringende verzen

20

Gij zegt — maar het zijn ijdele woorden — ik heb raad en kracht voor de oorlog. Op wie vertrouwt gij nu, dat gij u tegen mij verzet?

21

Zie, gij vertrouwt op de staf van dit geknakte riet, op Egypte, waarop als iemand steunt, het zijn hand inboort en doorsteken zal; zo is Farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen.

22

Maar als gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op de HEER, onze God; is dat niet Hij, wiens offerhoogten en wiens altaren Hizkia heeft weggenomen, en tot Juda en Jeruzalem heeft gezegd: Voor dit altaar zult gij u buigen in Jeruzalem?

23

Welnu dan, sluit toch een weddenschap met mijn heer, de koning van Assyrië: ik zal u tweeduizend paarden geven, als gij in staat bent ruiters daarvoor te stellen van uw kant.

24

Hoe zoudt gij dan het aangezicht van één stadhouder kunnen afwenden van de minste der knechten van mijn heer, en op Egypte vertrouwen voor strijdwagens en voor ruiters?

25

Ben ik nu opgetrokken zonder de HEER tegen deze plaats om haar te verderven? De HEER heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verderf het.

26

Toen zeiden Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in de Aramese taal, want wij verstaan die; en spreek niet met ons in de Joodse taal ten aanhoren van het volk dat op de muur is.

27

Maar Rabsake zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is hij mij niet ook gezonden tot de mannen die op de muur zitten, om hun eigen drek te eten en hun eigen urine te drinken met u?

28

Toen stond Rabsake en riep met luide stem in de Joodse taal, en sprak, zeggende: Hoort het woord van de grote koning, de koning van Assyrië:

29

Zo zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen; want hij zal niet in staat zijn u uit zijn hand te redden.

30

En laat Hizkia u niet op de HEER doen vertrouwen, zeggende: De HEER zal ons zeker redden, en deze stad zal niet overgegeven worden in de hand van de koning van Assyrië.