2 Koningen 18:30
“En laat Hizkia u niet op de HEER doen vertrouwen, zeggende: De HEER zal ons zeker redden, en deze stad zal niet overgegeven worden in de hand van de koning van Assyrië.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 18 — omringende verzen
Ben ik nu opgetrokken zonder de HEER tegen deze plaats om haar te verderven? De HEER heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verderf het.
26Toen zeiden Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in de Aramese taal, want wij verstaan die; en spreek niet met ons in de Joodse taal ten aanhoren van het volk dat op de muur is.
27Maar Rabsake zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is hij mij niet ook gezonden tot de mannen die op de muur zitten, om hun eigen drek te eten en hun eigen urine te drinken met u?
28Toen stond Rabsake en riep met luide stem in de Joodse taal, en sprak, zeggende: Hoort het woord van de grote koning, de koning van Assyrië:
29Zo zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen; want hij zal niet in staat zijn u uit zijn hand te redden.
En laat Hizkia u niet op de HEER doen vertrouwen, zeggende: De HEER zal ons zeker redden, en deze stad zal niet overgegeven worden in de hand van de koning van Assyrië.
Luistert niet naar Hizkia; want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit een vergelijk met mij door een geschenk, en komt tot mij naar buiten, en eet dan ieder van zijn eigen wijnstok, en ieder van zijn eigen vijgenboom, en drinkt ieder het water van zijn eigen put:
32Totdat ik kom en u wegvoer naar een land als uw eigen land, een land van koren en wijn, een land van brood en wijngaarden, een land van olijfolie en van honing, opdat gij leeft en niet sterft; en luistert niet naar Hizkia, wanneer hij u overreedt, zeggende: De HEER zal ons redden.
33Heeft ook maar één van de goden der volken zijn land gered uit de hand van de koning van Assyrië?
34Waar zijn de goden van Hamath en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Hebben zij Samaria gered uit mijn hand?
35Wie zijn er onder al de goden der landen, die hun land uit mijn hand hebben gered, dat de HEER Jeruzalem uit mijn hand zou redden?