2 Koningen 18:28
“Toen stond Rabsake en riep met luide stem in de Joodse taal, en sprak, zeggende: Hoort het woord van de grote koning, de koning van Assyrië:”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 18 — omringende verzen
Welnu dan, sluit toch een weddenschap met mijn heer, de koning van Assyrië: ik zal u tweeduizend paarden geven, als gij in staat bent ruiters daarvoor te stellen van uw kant.
24Hoe zoudt gij dan het aangezicht van één stadhouder kunnen afwenden van de minste der knechten van mijn heer, en op Egypte vertrouwen voor strijdwagens en voor ruiters?
25Ben ik nu opgetrokken zonder de HEER tegen deze plaats om haar te verderven? De HEER heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verderf het.
26Toen zeiden Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in de Aramese taal, want wij verstaan die; en spreek niet met ons in de Joodse taal ten aanhoren van het volk dat op de muur is.
27Maar Rabsake zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is hij mij niet ook gezonden tot de mannen die op de muur zitten, om hun eigen drek te eten en hun eigen urine te drinken met u?
Toen stond Rabsake en riep met luide stem in de Joodse taal, en sprak, zeggende: Hoort het woord van de grote koning, de koning van Assyrië:
Zo zegt de koning: Laat Hizkia u niet bedriegen; want hij zal niet in staat zijn u uit zijn hand te redden.
30En laat Hizkia u niet op de HEER doen vertrouwen, zeggende: De HEER zal ons zeker redden, en deze stad zal niet overgegeven worden in de hand van de koning van Assyrië.
31Luistert niet naar Hizkia; want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit een vergelijk met mij door een geschenk, en komt tot mij naar buiten, en eet dan ieder van zijn eigen wijnstok, en ieder van zijn eigen vijgenboom, en drinkt ieder het water van zijn eigen put:
32Totdat ik kom en u wegvoer naar een land als uw eigen land, een land van koren en wijn, een land van brood en wijngaarden, een land van olijfolie en van honing, opdat gij leeft en niet sterft; en luistert niet naar Hizkia, wanneer hij u overreedt, zeggende: De HEER zal ons redden.
33Heeft ook maar één van de goden der volken zijn land gered uit de hand van de koning van Assyrië?