Terug naar 2 Koningen 25
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 25:17

De hoogte van de ene pilaar was achttien el, en het kapiteel erop was van koper; en de hoogte van het kapiteel drie el; en het vlechtwerk en de granaatappels op het kapiteel rondom, alles van koper; en de tweede pilaar was er gelijk aan, met vlechtwerk.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 25 — omringende verzen

12

Maar de overste der lijfwacht liet enigen van de armsten van het land achter als wijngaardeniers en akkerbouwers.

13

En de koperen pilaren die in het huis van de HEER waren, en de voetstukken, en de koperen zee die in het huis van de HEER was, die braken de Chaldeeën stuk, en zij voerden het koper ervan naar Babel.

14

En de potten, en de schoppen, en de snuiters, en de lepels, en alle koperen voorwerpen waarmee men diende, namen zij weg.

15

En de vuurpannen, en de sprengbekkens, en hetgeen van goud was, in goud, en hetgeen van zilver was, in zilver, nam de overste der lijfwacht mee.

16

De twee pilaren, de ene zee, en de voetstukken die Salomo voor het huis van de HEER had gemaakt; het koper van al deze voorwerpen was niet te wegen.

17

De hoogte van de ene pilaar was achttien el, en het kapiteel erop was van koper; en de hoogte van het kapiteel drie el; en het vlechtwerk en de granaatappels op het kapiteel rondom, alles van koper; en de tweede pilaar was er gelijk aan, met vlechtwerk.

18

En de overste der lijfwacht nam Seraja, de hogepriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie poortwachters mee.

19

En uit de stad nam hij een hofbeambte die aangesteld was over de strijdbare mannen, en vijf mannen die in de nabijheid van de koning gevonden werden in de stad, en de hoofdschrijver van het leger die het volk des lands monsterde, en zestig mannen van het volk des lands die in de stad gevonden werden.

20

En Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, nam dezen mee en bracht hen naar de koning van Babel, naar Ribla.

21

En de koning van Babel sloeg hen en doodde hen te Ribla in het land Hamath. Zo werd Juda weggevoerd uit zijn land.

22

En het volk dat in het land Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had overgelaten, over hen stelde hij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, aan als bestuurder.