Terug naar 2 Koningen 5
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 5:21

Zo liep Gehazi Naäman na. En toen Naäman hem zag nalopende, steeg hij van de wagen af om hem tegemoet te gaan, en zeide: Is alles wel?

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 5 — omringende verzen

16

Maar hij zeide: Zo waarlijk als de HEER leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal niets ontvangen. En hij drong bij hem aan dat hij het zou nemen, maar hij weigerde.

17

En Naäman zeide: Zo niet, laat dan uw knecht toch twee muildieren last aarde gegeven worden; want uw knecht zal voortaan geen brandoffer noch slachtoffer aan andere goden offeren, maar aan de HEER.

18

In dit ene ding vergeef de HEER uw knecht: wanneer mijn heer het huis van Rimmon ingaat om daar te aanbidden, en hij leunt op mijn hand, en ik mij neerbuig in het huis van Rimmon — wanneer ik mij neerbuig in het huis van Rimmon, vergeef de HEER uw knecht in dit ding.

19

En hij zeide tot hem: Ga heen in vrede. Zo vertrok hij van hem een eindweegs.

20

Maar Gehazi, de knecht van Elisa, de man Gods, zeide: Zie, mijn heer heeft deze Syriër Naäman gespaard door niet te ontvangen van zijn hand hetgeen hij gebracht had; maar zo waarlijk als de HEER leeft, ik zal hem nalopen en iets van hem nemen.

21

Zo liep Gehazi Naäman na. En toen Naäman hem zag nalopende, steeg hij van de wagen af om hem tegemoet te gaan, en zeide: Is alles wel?

22

En hij zeide: Alles is wel. Mijn heer heeft mij gezonden, zeggende: Zie, er zijn juist tot mij gekomen van de berg Efraïm twee jonge mannen van de zonen der profeten; geef hun toch een talent zilver en twee wisselklederen.

23

En Naäman zeide: Wees toch bereid, neem twee talenten. En hij drong bij hem aan en bond twee talenten zilver in twee zakken, met twee wisselklederen, en legde ze op twee van zijn knechten; en die droegen ze voor hem.

24

En toen hij bij de burcht gekomen was, nam hij ze uit hun handen en bestelde ze in het huis; en hij liet de mannen gaan, en zij gingen heen.

25

Maar hij ging naar binnen en stond voor zijn heer. En Elisa zeide tot hem: Vanwaar komt gij, Gehazi? En hij zeide: Uw knecht is nergens heen gegaan.

26

En hij zeide tot hem: Was mijn hart niet mee, toen de man zich van zijn wagen keerde om u te ontmoeten? Is dit een tijd om zilver te ontvangen en klederen te ontvangen, en olijfgaarden en wijngaarden, en schapen en runderen, en knechten en dienstmaagden?