2 Koningen 5:16
“Maar hij zeide: Zo waarlijk als de HEER leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal niets ontvangen. En hij drong bij hem aan dat hij het zou nemen, maar hij weigerde.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 5 — omringende verzen
Maar Naäman werd toornig en ging heen, en zeide: Zie, ik dacht: hij zal zeker tot mij uitkomen en daar staan, en de Naam van de HEER zijn God aanroepen, en zijn hand over de plaats bewegen, en de melaatse genezen.
12Zijn niet de Abana en de Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan al de wateren van Israël? Kan ik mij niet in die wassen en rein worden? Zo keerde hij zich om en ging heen in grote toorn.
13Maar zijn knechten traden toe en spraken tot hem en zeiden: Mijn vader, indien de profeet u een grote zaak geboden had, zoudt gij die niet gedaan hebben? Hoeveel te meer nu hij tot u zegt: Was u en wordt rein?
14Toen ging hij af en doopte zich zevenmaal in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn vlees werd wedergegeven als het vlees van een klein kind, en hij was rein.
15En hij keerde weder tot de man Gods, hij en zijn ganse gezelschap, en hij kwam en stond voor hem, en zeide: Zie, nu weet ik dat er geen God is op de ganse aarde dan in Israël; ontvang dan nu een zegengave van uw knecht.
Maar hij zeide: Zo waarlijk als de HEER leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal niets ontvangen. En hij drong bij hem aan dat hij het zou nemen, maar hij weigerde.
En Naäman zeide: Zo niet, laat dan uw knecht toch twee muildieren last aarde gegeven worden; want uw knecht zal voortaan geen brandoffer noch slachtoffer aan andere goden offeren, maar aan de HEER.
18In dit ene ding vergeef de HEER uw knecht: wanneer mijn heer het huis van Rimmon ingaat om daar te aanbidden, en hij leunt op mijn hand, en ik mij neerbuig in het huis van Rimmon — wanneer ik mij neerbuig in het huis van Rimmon, vergeef de HEER uw knecht in dit ding.
19En hij zeide tot hem: Ga heen in vrede. Zo vertrok hij van hem een eindweegs.
20Maar Gehazi, de knecht van Elisa, de man Gods, zeide: Zie, mijn heer heeft deze Syriër Naäman gespaard door niet te ontvangen van zijn hand hetgeen hij gebracht had; maar zo waarlijk als de HEER leeft, ik zal hem nalopen en iets van hem nemen.
21Zo liep Gehazi Naäman na. En toen Naäman hem zag nalopende, steeg hij van de wagen af om hem tegemoet te gaan, en zeide: Is alles wel?