Terug naar 2 Koningen 5
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 5:11

Maar Naäman werd toornig en ging heen, en zeide: Zie, ik dacht: hij zal zeker tot mij uitkomen en daar staan, en de Naam van de HEER zijn God aanroepen, en zijn hand over de plaats bewegen, en de melaatse genezen.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 5 — omringende verzen

6

En hij bracht de brief aan de koning van Israël, zeggende: En nu, als deze brief tot u komt, zie, ik heb daarmee Naäman, mijn knecht, tot u gezonden, opdat gij hem van zijn melaatsheid geneest.

7

En het geschiedde, toen de koning van Israël de brief gelezen had, dat hij zijn klederen scheurde en zei: Ben ik God, die doden en levend maken kan, dat deze man tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid te genezen? Bemerkt toch en ziet, hoe hij een twist tegen mij zoekt.

8

En het geschiedde, toen Elisa, de man Gods, gehoord had dat de koning van Israël zijn klederen gescheurd had, dat hij tot de koning zond, zeggende: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, dan zal hij weten dat er een profeet in Israël is.

9

Zo kwam Naäman met zijn paarden en met zijn wagen, en stond voor de deur van het huis van Elisa.

10

En Elisa zond een bode tot hem, zeggende: Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw vlees u wederkeren en gij zult rein zijn.

11

Maar Naäman werd toornig en ging heen, en zeide: Zie, ik dacht: hij zal zeker tot mij uitkomen en daar staan, en de Naam van de HEER zijn God aanroepen, en zijn hand over de plaats bewegen, en de melaatse genezen.

12

Zijn niet de Abana en de Farpar, de rivieren van Damascus, beter dan al de wateren van Israël? Kan ik mij niet in die wassen en rein worden? Zo keerde hij zich om en ging heen in grote toorn.

13

Maar zijn knechten traden toe en spraken tot hem en zeiden: Mijn vader, indien de profeet u een grote zaak geboden had, zoudt gij die niet gedaan hebben? Hoeveel te meer nu hij tot u zegt: Was u en wordt rein?

14

Toen ging hij af en doopte zich zevenmaal in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn vlees werd wedergegeven als het vlees van een klein kind, en hij was rein.

15

En hij keerde weder tot de man Gods, hij en zijn ganse gezelschap, en hij kwam en stond voor hem, en zeide: Zie, nu weet ik dat er geen God is op de ganse aarde dan in Israël; ontvang dan nu een zegengave van uw knecht.

16

Maar hij zeide: Zo waarlijk als de HEER leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal niets ontvangen. En hij drong bij hem aan dat hij het zou nemen, maar hij weigerde.