2 Korintiërs 12:6
“Want al zou ik willen roemen, ik zou geen dwaas zijn; want ik zou de waarheid spreken. Maar ik onthoud mij ervan, opdat niemand van mij meer zou denken dan hij aan mij ziet, of van mij hoort.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Korintiërs 12 — omringende verzen
Het is mij zeker niet nuttig te roemen. Ik zal komen tot gezichten en openbaringen van de Heer.
2Ik ken een man in Christus, meer dan veertien jaar geleden — of hij in het lichaam was, weet ik niet; of buiten het lichaam, weet ik niet: God weet het — zo iemand werd opgetrokken tot in de derde hemel.
3En ik ken zo iemand — of hij in het lichaam was, of buiten het lichaam, weet ik niet: God weet het —
4Dat hij werd opgetrokken in het paradijs, en onuitsprekelijke woorden hoorde, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken.
5Over zo iemand zal ik roemen; maar over mijzelf zal ik niet roemen, behalve in mijn zwakheden.
Want al zou ik willen roemen, ik zou geen dwaas zijn; want ik zou de waarheid spreken. Maar ik onthoud mij ervan, opdat niemand van mij meer zou denken dan hij aan mij ziet, of van mij hoort.
En opdat ik niet door de overvloed van de openbaringen verheven zou worden, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan om mij te buffelen, opdat ik niet verheven zou worden.
8Hierover heb ik de Heer driemaal gebeden, dat hij van mij zou wijken.
9En Hij zeide tot mij: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zeer gaarne dan zal ik veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij rust.
10Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik sterk.
11Ik ben een dwaas geworden door te roemen; u hebt mij daartoe gedwongen. Want ik behoorde door u aanbevolen te worden; want ik ben in niets achtergebleven bij de allerhoogste apostelen, al ben ik ook niets.