2 Kronieken 29:11
“Mijn zonen, weest nu niet nalatig; want de HEER heeft u uitverkoren om voor Hem te staan, Hem te dienen, en Hem te bedienen en reukwerk te branden.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 29 — omringende verzen
Want onze vaderen hebben gezondigd, en gedaan wat kwaad is in de ogen van de HEER onze God, en hebben Hem verlaten, en hebben hun aangezicht afgewend van de woning van de HEER, en Hem de rug toegekeerd.
7Ook hebben zij de deuren van het voorhuis gesloten, en de lampen uitgeblust, en geen reukwerk gebrand noch brandoffers geofferd in de heilige plaats aan de God van Israël.
8Daarom is de toorn van de HEER gekomen over Juda en Jeruzalem, en Hij heeft hen overgegeven tot een schrikking, een ontzetting en een aanfluiting, zoals gij met uw eigen ogen ziet.
9Want zie, onze vaderen zijn gevallen door het zwaard, en onze zonen en onze dochters en onze vrouwen zijn om diezer oorzaak in gevangenschap.
10Nu is het in mijn hart een verbond te maken met de HEER, de God van Israël, opdat zijn brandende toorn van ons afgewend worde.
Mijn zonen, weest nu niet nalatig; want de HEER heeft u uitverkoren om voor Hem te staan, Hem te dienen, en Hem te bedienen en reukwerk te branden.
Toen stonden de Levieten op: Mahath, de zoon van Amasai, en Joël, de zoon van Azaria, van de zonen der Kohathieten; en van de zonen van Merari: Kis, de zoon van Abdi, en Azaria, de zoon van Jehalel; en van de Gersonieten: Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;
13En van de zonen van Elizafan: Simri en Jeïel; en van de zonen van Asaf: Zacharia en Mattanja;
14En van de zonen van Heman: Jehiël en Simeï; en van de zonen van Jeduthun: Semaja en Uzziël.
15En zij verzamelden hun broederen, en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod des konings, overeenkomstig het woord van de HEER, om het huis van de HEER te reinigen.
16En de priesters gingen in het binnenste van het huis van de HEER om het te reinigen, en brachten al de onreinheid die zij in de tempel van de HEER vonden naar de voorhof van het huis van de HEER. En de Levieten namen het aan, om het naar buiten te dragen naar de beek Kidron.