2 Kronieken 34:19
“En het geschiedde, toen de koning de woorden van de wet gehoord had, dat hij zijn kleren scheurde.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 34 — omringende verzen
En toen zij het geld uitnamen dat in het huis des HEREN gebracht was, vond Hilkia, de priester, het boek van de wet des HEREN, gegeven door Mozes.
15En Hilkia antwoordde en zeide tot Safan, de schrijver: Ik heb het boek van de wet gevonden in het huis des HEREN. En Hilkia gaf het boek aan Safan.
16En Safan bracht het boek tot de koning, en bracht de koning verder bericht, zeggende: Al wat in de hand van uw dienaren gegeven is, dat doen zij.
17En zij hebben het geld dat in het huis des HEREN gevonden werd, bijeenverzameld en het gegeven in de hand van de opzieners en in de hand van de werklieden.
18Daarna berichtte Safan, de schrijver, de koning, zeggende: Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht van de koning.
En het geschiedde, toen de koning de woorden van de wet gehoord had, dat hij zijn kleren scheurde.
En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, een dienaar van de koning, zeggende:
21Ga heen, vraag de HEER voor mij en voor hen die overgebleven zijn in Israël en in Juda, over de woorden van het boek dat gevonden is; want groot is de grimmigheid des HEREN die over ons uitgestort is, omdat onze vaderen het woord des HEREN niet hebben onderhouden, om te doen naar alles wat in dit boek geschreven is.
22En Hilkia, met hen die de koning aangewezen had, ging naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tikwa, de zoon van Hasra, de bewaarder van de klederen (zij woonde nu in Jeruzalem in het tweede stadsdeel); en zij spraken tot haar dienovereenkomstig.
23En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tot de man die u tot mij gezonden heeft:
24Zo zegt de HEER: Zie, Ik zal kwaad brengen over deze plaats en over haar inwoners, namelijk al de vloeken die geschreven zijn in het boek dat zij gelezen hebben voor het aangezicht van de koning van Juda,