2 Kronieken 34:22
“En Hilkia, met hen die de koning aangewezen had, ging naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tikwa, de zoon van Hasra, de bewaarder van de klederen (zij woonde nu in Jeruzalem in het tweede stadsdeel); en zij spraken tot haar dienovereenkomstig.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 34 — omringende verzen
En zij hebben het geld dat in het huis des HEREN gevonden werd, bijeenverzameld en het gegeven in de hand van de opzieners en in de hand van de werklieden.
18Daarna berichtte Safan, de schrijver, de koning, zeggende: Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht van de koning.
19En het geschiedde, toen de koning de woorden van de wet gehoord had, dat hij zijn kleren scheurde.
20En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, een dienaar van de koning, zeggende:
21Ga heen, vraag de HEER voor mij en voor hen die overgebleven zijn in Israël en in Juda, over de woorden van het boek dat gevonden is; want groot is de grimmigheid des HEREN die over ons uitgestort is, omdat onze vaderen het woord des HEREN niet hebben onderhouden, om te doen naar alles wat in dit boek geschreven is.
En Hilkia, met hen die de koning aangewezen had, ging naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tikwa, de zoon van Hasra, de bewaarder van de klederen (zij woonde nu in Jeruzalem in het tweede stadsdeel); en zij spraken tot haar dienovereenkomstig.
En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tot de man die u tot mij gezonden heeft:
24Zo zegt de HEER: Zie, Ik zal kwaad brengen over deze plaats en over haar inwoners, namelijk al de vloeken die geschreven zijn in het boek dat zij gelezen hebben voor het aangezicht van de koning van Juda,
25omdat zij Mij verlaten hebben en reukwerk ontstoken hebben voor andere goden, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al de werken van hun handen; daarom zal Mijn grimmigheid uitgestort worden over deze plaats en niet uitgeblust worden.
26En tot de koning van Juda, die u gezonden heeft om de HEER te vragen, tot hem zult u aldus zeggen: Zo zegt de HEER, de God van Israël, aangaande de woorden die u gehoord hebt:
27Omdat uw hart week geworden is en u zich vernederd hebt voor het aangezicht van God, toen u Zijn woorden hoorde tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en u zich voor Mijn aangezicht vernederd hebt, en uw kleren gescheurd hebt en voor Mijn aangezicht geweend hebt, zo heb ook Ik u verhoord, spreekt de HEER.